Blik van Buiten: “Wellicht kans op tunnelvisie door nieuwe technologieën”
Het NFI ontwikkelt nieuwe technologieën voor sporenonderzoek op de plaats delict. Die middelen bieden veel voordelen, maar er kleven ook risico’s aan, zegt Christianne de Poot . Ze is lector forensisch onderzoek aan de Hogeschool van Amsterdam en aan de Politieacademie.
“Het voorkomen van tunnelvisie bij sporenonderzoek op een plaats delict (PD) is de afgelopen jaren een steeds grotere rol gaan spelen. Bij tunnelvisie hecht je te veel waarde aan één mogelijk scenario. De informatie stuurt je verwachtingen, waardoor je alleen nog ziet wat je verwacht te zien. Dit kan helpen als de informatie correct is. Maar als de gegevens onjuist zijn of niets met het misdrijf te maken hebben, kan dat het onderzoek in de verkeerde richting sturen. Ik ben bezig met het opstarten van een onderzoeksproject over voorinformatie. Hierbij stel ik de vraag hoe groot het risico is op tunnelvisie bij sporenonderzoek op een plaats delict, als rechercheurs (te veel) voorinformatie hebben gekregen.”
Gipsen
“Om dit te testen, bouwen we een plaats delict na, waar drie groepen studenten van de opleiding forensisch onderzoek aan het werk gaan. Elke groep krijgt verschillende vormen van voorinformatie: één groep krijgt correcte tactische informatie, één krijgt incorrecte informatie en de derde groep krijgt geen informatie. We bekijken hoe dit het sporenonderzoek beïnvloedt. Tijdens een ‘pilot’ van het project viel al op dat de verschillende groepen studenten de sporen anders veiligstelden. Personen die voorinformatie hadden ontvangen, waaruit kon worden afgeleid dat bepaalde sporen relevant zouden kunnen zijn, gingen deze sporen gipsen. Een groep zonder voorinformatie legde ze alleen fotografisch vast. Hierdoor waren de sporen minder goed te gebruiken als bewijs. Een interessant verschil: was dit het resultaat van verschillende voorkennis die de groepen kregen? Dit is slechts een mogelijke verklaring, en is nog te vroeg om conclusies te trekken. Het is de bedoeling om de tests te herhalen met rechercheurs en met andere plaatsen delict.”
Gevaar
“Net als voorinformatie zou het gebruik van nieuwe technologieën tunnelvisie in de hand kunnen werken. Op dit moment werkt het NFI aan allerlei ‘high-tech’ middelen voor onderzoek op de PD. Spectrale camera’s die bloed- en eiwitsporen kunnen detecteren, de mogelijkheid om informatie over een DNA-spoor al op de plaats delict te bekijken, bijvoorbeeld. Allemaal middelen waarmee technisch rechercheurs in de toekomst sneller en beter sporenonderzoek op een plaats delict kunnen verrichten. Dat is mooi, maar het brengt ook een gevaar met zich mee. Rechercheurs lopen het risico dat ze zich bij het onderzoek laten leiden door de eerste sporen die ze vinden, juist omdat ze door die middelen al direct sporen kunnen analyseren en er allerlei informatie over kunnen opvragen. Let wel, ook dit is slechts een theorie die nog moet worden onderzocht.”
“Als het klopt dat nieuwe technologieën het risico op tunnelvisie vergroten, dan zouden de fasen van opsporing en bewijsvoering in de toekomst misschien duidelijker moeten worden gescheiden. In dat geval zou verzameld bewijs, dat al op de plaats delict werd geanalyseerd, buiten deze context opnieuw kunnen worden bekeken door een onafhankelijk instituut zoals het NFI. Ook is het in dat geval van belang dat technisch rechercheurs goed op het gebruik van deze nieuwe technieken worden voorbereid. Zo worden de kansen voor de opsporing optimaal benut en de risico’s beperkt. De ontwikkeling van CSI The Hague , waar het gedrag van rechercheurs op nagebouwde PD’s kan worden onderzocht en waar ze trainingen kunnen volgen, is een belangrijke eerste stap.”
Het lectoraat Forensisch Onderzoek maakt deel uit van het Academic Centre for Forensic Science (ACSF). Dit is een samenwerking tussen de Universiteit van Amsterdam, de Hogeschool van Amsterdam, de Politieacademie en het Nederlands Forensisch Instituut.

Innovatiehoek